Ga zwijmelend het jaar in met een romantisch winterverhaal, speciaal voor Kinderen geschreven door schrijfster Mariette Middelbeek.
Een lovestory temidden van gluhwein, tranen en sneeuw!
‘Ja, dóéi!’, roep ik met een blik vol afgrijzen. Naast me klinkt een echo. ‘Dóéi!’ Mariska schiet in de lach. ‘Nou ja, het hoeft niet… Maar we hebben alles al geboekt: de trein, het appartement, de skipassen, zelfs de huur van de ski’s.
En de annuleringsverzekering wil niet betalen.’ ‘Hoezo niet?’, vraag ik verontwaardigd. ‘Je kunt toch aantonen dat je nu echt niet kunt reizen?’ ‘Omdat ik vergeten was er eentje af te sluiten’, is haar montere antwoord. Typisch Mariska: chaotisch, vergeetachtig en altijd opgewekt. Zelfs nu haar rechterbeen op een stapel kussens op een van mijn keukenstoelen rust.
De kleurige handtekeningen van de kinderen uit haar schoolklas geven het gips een vrolijke aanblik, maar daaronder gaat een dubbele breuk van haar onderbeen schuil, die ondanks twee operaties nog niet echt wil genezen. Het is eind januari en de wintersportvakantie die ze heeft geboekt voor half februari zal in het water vallen. Ze heeft haar man Job ervan proberen te overtuigen dat hij dan maar alleen met hun vierjarige dochter Lennie moet gaan, maar daar wil hij niet van weten.
Alle papieren van haar skivakantie liggen voor ons op tafel. Ze kijkt me aan met een afwachtende blik. ‘Alles is al betaald en ik vind het zonde als niemand er gebruik van maakt. Wat heb je te verliezen? Voor Max is het geweldig, een week in de sneeuw.’ Ze aarzelt even. ‘En misschien is het goed om… Nou ja, ik bedoel… Inge, je moet toch een kéér…’ Ze maakt haar zin niet af, maar ik weet al wat ze wil zeggen.
Ergens in me voel ik het inmiddels vertrouwde gevoel van woede opkomen, dat ik altijd heb als iemand me vertelt wat ik wel en niet moet doen. Zelfs bij Mariska, mijn beste vriendin, die alles tegen me mag zeggen. Ik slik en probeer het gevoel te negeren. In plaats daarvan schuif ik de papieren en de uitnodigende folder die erbij zit op een hoop en sta op om meer thee te maken. ‘Ik zal erover nadenken.’ Wat zoiets betekent als: no way dat ik in mijn eentje met mijn driejarige zoon op skivakantie ga. Ik ga liever gewóón dood.
Ironisch eigenlijk, bedenk ik die avond, dat dat een van Thijs’ favoriete uitdrukkingen was. De knalrode bank waarop ik al tijden mijn zinnen had gezet? ‘Ik ga liever gewóón dood!’, riep hij in de winkel. All-inclusive vakantie naar Turkije, wat mij een uitkomst leek met een nogal ondernemende peuter? Weekendje weg met mijn ouders? Hij ging liever gewóón dood. Terwijl dat weekendje – nu bijna een jaar geleden – bijzonder goed uitpakte en Thijs daarna zei dat we dit elk jaar moesten doen.
Maar zover kwam het niet. Nog geen vier weken later verongelukte Thijs door een ongelukkige combinatie van dichte mist en een midden op de weg stilstaande vrachtwagen met pech. Hij was op slag dood.
Dat was begin maart, nu bijna elf maanden geleden.
Sindsdien leef ik van de ene eerste keer naar de andere: de eerste nacht alleen, de eerste werkdag na Thijs’ dood, Max’ eerste verjaardag zonder papa, de eerste keer dat Max eiste dat papa weer terug zou komen en hij ontroostbaar was toen ik probeerde uit te leggen dat dat niet ging, de eerste zomer alleen, mijn eerste verjaardag zonder het inmiddels traditionele champagneontbijt van Thijs, en onlangs: de eerste kerst. Maar die ene eerste keer wacht nog: de eerste vakantie zonder Thijs. Afgelopen jaar hebben talloze familieleden, vrienden en zelfs vage kennissen aangeboden mij en Max mee te nemen op vakantie, maar ik heb alles afgeslagen. Ik wil niet dat we het vijfde wiel aan de wagen zijn op een gezellige familievakantie.
Als ik met mijn neus op de feiten wil worden gedrukt, weet ik nog wel een paar manieren. Maar Max en ik met z’n tweeën op vakantie, is mijn grootste schrikbeeld. Ten eerste: waar moeten we heen? Die Turkse all-inclusive vakantie die ik ooit aan Thijs voorstelde, zal ik natuurlijk niet boeken. Alsof ik van de gelegenheid gebruikmaak.
Maar met een rugzak door Azië trekken is het ook niet met een driejarige. Een huisjespark in Spanje lijkt me een verschrikking als alleenstaande moeder en van in Nederland blijven zie ik de zin niet zo in. Dan kunnen we net zo goed thuisblijven. Eigenlijk is dat ook wat ik het liefste wil. De vakanties met Thijs waren de hoogtepunten van mijn jaar. Met z’n tweeën en later met z’n drieën er even helemaal uit, samen nieuwe dingen ontdekken, andere cultuur opsnuiven, lekker eten, urenlang praten… Ik voel een steek in mijn buik als ik eraan denk. Hoe kan ik ooit zonder hem op vakantie gaan? Ik leg mijn hand op het stapeltje papieren op tafel. Aarzelend schuif ik het van links naar rechts. Moet ik er misschien toch een keer uit? Het Max gunnen om op vakantie te gaan? En vooral: mijn angst onder ogen zien? Ik staar naar mijn hand bovenop die folder en besef dat mijn ringvinger precies rust bij een foto van een vader die met zijn lachende kinderen in de sneeuw speelt. Er glijdt een traan langs mijn neus naar beneden.
‘En veel plezie-hier!’ Mariska staat zo hard te zwaaien dat ik serieus bang ben dat ze naast haar been ook een schouder zal breken. Ze leunt met één arm op haar kruk en Job ondersteunt haar.
Ik kijk rond in onze kleine driepersoonscoupé. Zelf kan ik twee stoelen innemen als ik dat wil, of eentje gebruiken voor de loodzware tas die ik meesleep en die voornamelijk is gevuld met spullen voor Max. Mijn koffer ligt al onder de stoelen in een speciaal bagagevak. Job heeft me geholpen het ding de trein in te sjouwen, ik heb geen idee hoe ik die koffer er in Oostenrijk weer uit krijg.
‘We gaan! We gaan! We gaan!’ Max springt op en neer op een van de stoelen en probeert intussen naar buiten te kijken. De trein zet zich langzaam in beweging.
‘Doei!’, roept Mariska nog. Haar stem klinkt door het openstaande raampje. ‘Bel me als jullie zijn aangekomen!’ De trein maakt snel vaart en we rijden het station van Utrecht uit. Max staat met zijn neus tegen het raam gedrukt naar buiten te staren. Het schemert en hij kan niet zoveel zien, maar dat lijkt hem niet uit te maken.
‘Mam! Een trein!’, roept hij als we een intercity passeren.
‘Een hele grote! Kijk, mam!’ Ik volg zijn blik naar buiten en probeer dit net als Max als een groot avontuur te zien.
Als Max in de toekomst nog eens moeite heeft met inslapen gaan we met de trein, neem ik me de volgende ochtend stellig voor. Gisteravond viel hij rond half negen uitgeteld in slaap om pas vanochtend om half acht wakker te worden. Het ritme van de wielen op de rails doet blijkbaar wonderen voor zijn nachtrust. Nu is het bijna negen uur en hebben we het ontbijt achter de kiezen. De trein rijdt het station van Kirchberg in Tirol binnen en ik sta klaar met in mijn ene hand mijn tas en in de andere mijn koffer. Hoe ik Max ook nog uit de trein ga krijgen, is me vooralsnog een raadsel. ‘Je moet bij mama in de buurt blijven’, instrueer ik hem als we onze eigen coupé verlaten en naar de deur lopen. ‘Help mama maar met de koffer sjouwen.’ Dat helpen betekent vooral dat hij aan het handvat trekt waardoor de koffer nog veel zwaarder lijkt. In het smalle gangetje naar de deur kan ik de wieltjes van de koffer helaas niet gebruiken en mijn hand voelt aan alsof ’ie in brand staat. Twee keer glijdt mijn tas van mijn arm. De trein stopt en we zijn nog niet eens bij de deuren. Straks rijdt hij door voor we tijd hebben om uit te stappen. Terwijl ik mijn pas versnel, struikel ik bijna over mijn koffer.
‘Kom mee, Max’, zeg ik gehaast. ‘Doorlopen!’ ‘Hulp nodig?’ Er duikt een man voor me op die met het grootste gemak in zijn ene hand een koffer houdt en met zijn andere arm een kind van ongeveer Max’ leeftijd optilt.
‘Kom maar.’ Hij overhandigt de peuter aan de vrouw achter hem en tilt mijn koffer op alsof die niets weegt. Ik grijp Max’ hand en loop achter hem aan.
Als we buiten de trein staan, zeg ik: ‘Bedankt. Dat had ik in mijn eentje niet gered.’ Ik steek mijn hand uit. ‘Ik ben Inge.’ ‘Joris. En dit zijn Anne en Isa. In volgorde van leeftijd’, grijnst hij.
Anne kijkt naar mij en mijn bagage. ‘Moet je ook naar het centrum van Kirchberg?’ Ik knik en haal de papieren uit mijn tas. ‘Ik moet naar pension Alpenlande, volgens mij is dat aan de rand van het centrum. Is dat te lopen?’ Joris en Anne schudden hun hoofd. ‘Nee, zeker niet met die bagage. We kunnen wel een taxi delen, als je wilt.’ Even later zitten we in een taxibusje. ‘Is dit je eerste keer in Kirchberg?’, vraagt Joris. Ik knik. ‘Niet de eerste keer op wintersport, hoor.’ ‘Waar ben je eerder geweest?’ Ik noem een paar plaatsen en kijk uit het raam. Aardig van hem om me te helpen met mijn koffer, maar ik heb geen zin in zijn vragen. De onvermijdelijke vraag waarom ik alleen met mijn driejarige zoon op wintersport ben, hangt in de lucht. Ik voel me raar opgelaten bij dit overduidelijk gezellige gezinnetje.
Wij hadden er zo bij moeten zitten, denk ik onredelijk.
Thijs, Max en ik.
Ik zet die gedachte van me af en besef dat Joris me afwachtend aankijkt. Heeft hij weer een vraag gesteld? ‘Eh…’ zeg ik. ‘Sorry?’ ‘Hoe oud je zoontje is’, herhaalt hij geduldig. ‘Gaat hij al op skiles?’ ‘Ik ben drie!’ kondigt Max trots aan.
‘Te jong dus’, zeg ik.
‘Nou ja, sleetje rijden is ook leuk’, zegt Anne, en ik ben blij dat ze niet vraagt waarom ik in hemelsnaam hier ben als Max niet kan skiën en ik daardoor ook niet.
Als Joris en Anne zijn uitgestapt, is het nog maar een paar minuten naar het pension. Op het terras aan de voorkant is het een drukte van belang met mensen die koffie drinken voor ze naar de piste gaan en ik baan me met tas, koffer en Max een weg naar de ingang. Gelukkig komt er een ober naar me toe, die mijn koffer overneemt.
Bij de receptie staart Max vol ontzag naar een hertenkop aan de muur. ‘Mam,’ zegt hij zacht, ‘denk je dat die nog leeft?’ Ik grinnik. ‘Nee schat, dat denk ik niet.’ ‘Oh.’ Hij blijft met een wantrouwende blik naar het beest kijken.
Ik pak Max’ hand en neem hem mee naar de receptiedesk.
Gelukkig gaat het inchecken snel en even later zitten we op onze kamer, die eigenlijk een soort klein appartementje is. Er is zelfs een beperkt keukentje.
Er ligt een brief klaar. ‘Welkom familie Dongelaar’, lees ik.
De wijziging die Mariska heeft doorgegeven is blijkbaar nog niet overal doorgedrongen. Ik gooi de brief in de prullenbak.
Het zou ook raar zijn als er een brief zou liggen met ‘Welkom familie Van Wijk’. We zijn familie Van Wijk helemaal niet meer. Twee is te weinig voor een familie.
Denk ik.
‘Kom mee, dan gaan we wat drinken in de Dreieckbar.’ Ik verwonder me erover hoe snel vriendschappen ontstaan in de sneeuw. Nog maar een paar uur geleden heb ik een groepje Nederlanders – vier stellen en negen kinderen – ontmoet tijdens het zoveelste rondje sleetje rijden met Max en nu al gaan ze ervan uit dat ik meega naar de après-ski. Ik vind het best. Max kan het goed vinden met de jongste kinderen en ik heb inmiddels wel zin in een glühweintje om weer warm te worden. Het is vier uur ’s middags en nu de zon weg is, voelt de lucht aan alsof het tien graden vriest.
We zetten koers naar het terras van de Dreieckbar, een paar straten van mijn pension vandaan. Ik luister naar het gezellige geklets van de vrouwen en denk aan hoe ik er ruim vierentwintig uur geleden bij zat. Nadat ik de koffers had uitgepakt, liep ik naar een kleine supermarkt om de hoek bij het pension om wat broodjes te kopen. Max vond de sneeuw reuze interessant en nadat we op onze kamer de broodjes hadden gegeten, wilde hij alleen maar naar buiten. Bij een onbestemd winkeltje kocht ik een slee en de rest van het middag trok ik hem voort over het oefenweitje naast de skiverhuur. Ondanks zijn klaterende lach voelde ik me diep ongelukkig. Als iemand me voor een leuk prijsje een treinkaartje naar huis had aangeboden, had ik het met beide handen aangepakt. Ik scoorde bij de supermarkt twee kant-en-klaar maaltijden, warmde ze op in de magnetron en ging die avond een halfuurtje na Max naar bed, met als gevolg dat ik om vijf uur vanochtend klaarwakker was met maar één gedachte: als ik er zelf niets van maak, wordt het een lange, lange week.
En dus kocht ik vanochtend twee kaartjes voor de gondel en gingen we naar de piste. Max vond het geweldig. Hij staarde aan één stuk door naar buiten, gefascineerd door de besneeuwde helling waar we overheen zweefden. Eenmaal bovenaan raakte hij niet uitgepraat over het ritje.
Tegen mij, maar ook tegen elke andere aanwezige in het gondelstation. Daarmee legde hij contact met het groepje Nederlanders met wie ik nu op weg ben naar de bar.
Na het hele verhaal over zijn avontuur in de gondel, begon Max tegen zijn vertederde toehoorders over het feit dat hij alleen met mij op vakantie was. Omdat papa dood was. Gegeneerd wilde ik hem meetrekken, maar een van de vrouwen van het groepje keek me aan en zei dat ze het dapper van me vond dat ik toch op vakantie was gegaan.
Ik wuifde haar woorden weg, maar ze bleek een zus te hebben die jaren geleden in mijn situatie had gezeten en zij was alleen maar binnengebleven. Ik zei maar niet dat ik haar zus heel goed begreep.
‘Wat ga jij doen?’, vroeg Max op dat moment, kijkend naar haar ski’s. Mijn gesprekspartner richtte haar aandacht op hem en legde hem de beginselen van het skiën uit. Max trok een gezicht alsof ze gek geworden was. Dat leek me wel een mooi moment om hem mee te nemen.
Een halfuur spelen in de sneeuw later had Max het koud en snakte ik naar een kop koffie, dus liepen we naar het restaurant. Daar trof ik mijn nieuwe vriendin opnieuw, in gezelschap van de drie kleinste kinderen uit de groep, die van Max’ leeftijd waren.
‘Koffie?’, vroeg ze en de rest van de dag brachten we samen door. Max vond het geweldig om samen met de andere kinderen een sneeuwpop te bouwen en Rianne, zoals ze heette, en ik bleken genoeg gezamenlijke interesses te hebben om een paar uur bijzonder gezellig te kunnen praten. ’s Middags ging Rianne skiën en was haar vriendin Yvonne degene die op de kleine kinderen paste. Zij bleek zich niet bepaald op haar oppasdienst te hebben verheugd en was, zoals ze het zelf zei, maar wat blij met wat volwassen gezelschap.
Van koffie gingen we naadloos over op glühwein en van de piste verplaatsten we ons naar beneden, naar de bar in het centrum waar we nu op een terrasje plaatsnemen.
Een van de mannen loopt naar binnen om glühwein voor ons en warme chocolademelk voor de kinderen te halen.
Ik draai mijn gezicht naar het late middagzonnetje.
‘Lekker hè?’, zegt Yvonne genietend. ‘Ik kom van een wintersportvakantie altijd een stuk bruiner terug dan van de zomervakantie. Jij niet?’ Ik hum instemmend, al ben ik al twee jaar niet meer op een zonvakantie geweest. Thijs en ik hadden iets geboekt, maar toen gebeurde dat ondenkbare. Vervolgens vergat ik natuurlijk de reis te annuleren. Dat had tot gevolg dat de verzekering eerst niet wilde uitkeren en pas na veel telefoontjes en dreigbrieven kreeg ik het geld terug.
Maar goed, aan dat soort gezeur wil ik nu niet denken. Ik ben hier om te ontspannen. En ontspannen lukt wel, nu het ene na het andere glas voor mijn neus wordt gezet. Ik weet niet eens wie er de hele tijd drankjes haalt. Ik voel me verplicht ook een rondje te halen, maar telkens als ik wil opstaan, staat er alweer een nieuw drankje voor mijn neus. We praten en lachen en als ik op mijn horloge kijk, is er anderhalf uur verstreken. Ik kan me niet herinneren wanneer ik me voor het laatst zo lekker loom van de wijn heb gevoeld. Aan Max heb ik geen kind. Hij mag helpen een sneeuwpop bouwen en voelt zich duidelijk ontzettend groot. Onder zijn wollen muts zie ik zijn gezichtje stralen. Hij heeft rode wangen van de opwinding.
En dan ineens is het half zeven en gaat iedereen weg. In het pension waar de hele groep verblijft, wordt het diner om zeven uur geserveerd. We nemen afscheid en Yvonne en Rianne vragen of ik morgen weer op de piste ben, want dan hebben ze opnieuw oppasdienst. Ik beloof het en kijk er nu al naar uit.
Ineens is het stil, ook al is het op het terras van de kroeg nog steeds ontzettend druk. Een van de twee tafels die we gebruikten, wordt meteen ingelijfd door een ander groepje.
Max klimt op mijn schoot. ‘Waarom zijn ze weg?’ ‘Omdat ze gaan eten’, antwoord ik. ‘En dat gaan wij zo meteen ook doen. Heb je je chocomel al op?’ ‘Ik wil bij Lisa en Roy eten. En verder met de sneeuwpop.’ ‘Morgen weer, schat. Dan kunnen jullie een nieuwe sneeuwpop maken.’ Ik strijk hem over zijn muts. ‘Drink je je drinken even op? Dan gaan we naar ons hotel. Het is al heel laat.’ Op dat moment houdt er iemand halt bij onze tafel. Ik kijk op. ‘O, ha Joris. We wilden net gaan.’ Terwijl ik het uitspreek, realiseer ik me hoe onaardig dat overkomt. ‘Niet persoonlijk bedoeld’, voeg ik er dus maar snel aan toe.
Hij schiet in de lach. ‘Nee, de hint is duidelijk.’ Hij knikt in de richting van de bar. ‘Of kan ik je overhalen één drankje met me te drinken?’ Ik zin op een niet al te botte manier om van hem af te komen en zeg: ‘Moet je niet naar Isa en Anne?’ Joris schudt zijn hoofd. ‘Nee, die liggen allebei al te slapen.
Isa was doodop na een hele dag in de sneeuw en Anne had hoofdpijn. Ik heb de plaatselijke apotheek al geplunderd, dus hopelijk voelt ze zich morgen beter.’ Hij glimlacht. ‘Dus dat ik vraag of je iets wilt drinken is eigenlijk een gunst. De hele avond in mijn pension doorbrengen met twee slapende dames is ook niet alles.’ ‘Oké dan’, zeg ik. ‘Maar ik moet wel even iets te eten voor Max regelen. We hebben nog helemaal niet gegeten.’ ‘Ze hebben hier een kleine menukaart’, zegt Joris. ‘Wacht maar, ik neem er wel eentje mee als ik wat te drinken haal.’ Hij kijkt naar mijn lege glas. ‘Nog zo eentje?’ Een beetje beschaamd denk ik aan mijn benen, die nu al zwaar voelen. En mijn hoofd dat licht tolt. Toch knik ik.
Even later is Joris terug met drankjes en een menukaart.
Ik bestel voor Max en mij een Bratwürst met Knödel, Oostenrijkser kan niet. We proosten, hij met zijn biertje en ik met mijn wijn. Joris heeft het over de pistes die er volgens hem mooi bijliggen. Ik heb er geen verstand van en knik een beetje. Intussen vraag ik me af wat ik ervan zou vinden als mijn man iets ging drinken met een vrouw die hij nauwelijks kent, terwijl ik met knallende koppijn in bed lag. Ik kom er niet echt uit. ‘Vind je niet?’ Joris kijkt me vragend aan.
Shit, ik heb helemaal niet geluisterd. ‘Eh…’, breng ik uit.
‘Ja.’ Joris lacht. ‘Volgens mij zit jij met je gedachten heel ergens anders. Ben ik zo oninteressant?’ Ik voel mijn wangen kleuren, maar gelukkig lijkt Joris het wel grappig te vinden. ‘Dat zal de heldere berglucht wel zijn, daar word je afwezig van. Heb je al op ski’s gestaan?’ Ik schud mijn hoofd. ‘Nee, dat gaat niet lukken met zo’n driejarige in de buurt. Maar ik heb in totaal volgens mij wel een kilometer of honderd voor die slee gelopen.’ Joris grinnikt. ‘Ik ken dat. Isa kan er ook geen genoeg van krijgen. Gelukkig wilde Anne vanmiddag een paar uurtjes alleen oppassen, zodat ik een heel eind heb kunnen skiën.’ Ik verwonder me erover dat hij het woord ‘oppassen’ gebruikt.
Op je eigen kind pas je toch niet? Maar op dat moment wordt het eten gebracht en als het voor mijn neus staat, merk ik pas dat ik stevige trek heb. Max valt ook meteen aan. De Knödel vertrouwt hij voor geen meter, maar de Bratwürst gaat er wel in. Ik doe een halfzachte poging hem ook wat van de sla te laten eten, maar dat is Max niet van plan en ik laat het er maar bij zitten.
‘Isa wantrouwt ook alles wat naar gezond neigt’, zegt Joris met een grijns. ‘Vooral als het groen is, dan moet ze er al helemaal niets van weten. Maar bananen staan ook op haar verdachte lijstje.’ ‘Max gruwt van bananen’, lach ik. ‘Terwijl de meeste kinderen ze juist heerlijk vinden. Peren daarentegen vindt hij heerlijk. Maar nu las ik weer ergens dat te veel fruit eten niet goed is voor kinderen, want de suikers kunnen tanden aantasten.’ Joris wuift dat weg. ‘Ik word stapelgek van wat kinderen wel en niet mogen. Ze moeten dit eten, mogen dat niet, dit speelgoed is slecht voor ze, dat speelgoed stimuleert hun creativiteit niet genoeg, van zomaar voorlezen worden ze lui, daarvoor moet je minstens een interactieve app hebben…’ Ik knik instemmend. ‘En dan al die veiligheidsmaatregelen.
Ik zie tegenwoordig kinderen met een helm op in een fietszitje. Wij hadden vroeger nauwelijks een autostoeltje en we zijn toch ook groot geworden.’ Joris knikt. ‘Ik weet nog dat we een matrasje gingen uitzoeken voor het babybedje van Isa. Vierhonderdvijftig euro heb ik voor dat ding betaald, omdat de verkoopster ons een schuldgevoel aanpraatte over alle goedkopere matrasjes. Die waren niet anti-wiegendood en ja, dat wil je natuurlijk niet, dat je kind overlijdt aan wiegendood omdat jij op een matrasje wilde bezuinigen.’ Ik moet lachen. ‘Heel herkenbaar, dit. Ik heb zelfs de crèche die we hadden gekozen gebeld om te vragen of zij wel speciale matrasjes hadden. Volgens mij vonden ze me licht hysterisch.’ Nu lacht Joris ook. ‘Op mij kom je anders redelijk ontspannen over.’ Ik heb niet eens gemerkt dat Joris nieuwe drankjes heeft besteld, maar ze worden voor ons neergezet en de ober neemt de borden mee. Het is druk op het terras en achter me is een groep luidruchtige Nederlanders neergestreken.
Net als ik mijn hete glühwein naar mijn mond breng, krijg ik een duw in mijn rug. De hete drank golft over mijn hand en de tafel.
‘Auw!’, roep ik hartgrondig.
Joris schiet overeind. ‘Hé, kijk even uit!’, roept hij naar de corpulente figuur achter me, die nu irritant tegen me aan hangt en overmand door de nodige biertjes moeite heeft om overeind te komen.
‘Oeps’, zegt hij lodderig als hij probeert rechtop te komen.
‘Sorry.’ Hij buigt zich over me heen en slaat een arm om mijn schouders. Ik wimpel hem geërgerd af en probeer zijn kegel niet in te ademen.
‘Sorry schat’, zegt hij in mijn oor. ‘Maar van een mooie vrouw als jou kan ik niet afblijven.’ ‘Laat me los, idioot’, bijt ik hem toe.
‘Waarom?’ Hij verstevigt zijn greep. Zijn vrienden joelen.
Joris, die weer was gaan zitten, veert overeind. ‘Je hebt toch gehoord wat ze zei? Laat haar los.’ ‘Oeh, wat een ridder’, zegt de man spottend. ‘Rustig maar, hoor. Ik ben al weg.’ Gelukkig voel ik zijn greep verslappen en sloft hij terug naar zijn vriendengroep, waar hij op de schouders wordt geslagen. Er stijgt gelach op als hij wat zegt.
‘Gaat het?’, vraagt Joris.
Ik knik. ‘Ja, prima. Wat een debiel.’ Joris knikt en begint over iets anders, maar ik kan mijn aandacht er niet meer bij houden. Heel even kwam er een gevoel omhoog, een sprankje van iets wat ik al heel lang niet meer heb gevoeld. Ik weet niet wat het is, maar ik ben in de war. Een man die het voor me opneemt, dat is lang geleden. Heel even, het moet minder dan een seconde zijn geweest, kon ik me voorstellen dat Joris… en ik…
Nee! Ik roep mezelf streng tot de orde. Wat haal ik me in mijn hoofd? Alleen maar omdat hij iemand die onbeschoft was vroeg om mij met rust te laten? Waar slaat dit op? Trouwens, Joris is hartstikke getrouwd. De enige reden dat hij hier is, is dat zijn vrouw zich niet lekker voelt.
Het heeft niets met mij te maken. En dat zou ik niet eens erg moeten vinden.
Ineens wil ik weg. Waar ben ik mee bezig? Me een beetje vermaken op een terrasje en me rare dingen in mijn hoofd halen vanwege een man die een drankje met me drinkt. Een getrouwde man, nota bene. Het komt natuurlijk door de wijn. Ik zet mijn glas op tafel en sta op. ‘Ik ga even afrekenen en dan naar mijn appartement. Max eh…
Max is erg moe.’ Max, die naast me zit en zich vermaakt met het smeren van slagroom van zijn chocolademelk op zo’n beetje zijn hele gezicht, kijkt op. ‘Nee, ik ben niet moe. We gaan toch nog niet slapen, mam?’ ‘Jawel, het is een lange dag geweest en…’ ‘Neehee!’ Max trekt een boos gezicht. ‘Ik wil de sneeuwpop afmaken met Roy en Lisa.’ ‘Lieverd, die zie je pas morgen weer. Jij gaat zo lekker onder de douche en dan…’ ‘Wil ik niet!’ ‘Dat is dan jammer. Het is allang bedtijd voor je.’ Ik pak mijn portemonnee en wil naar binnen lopen om te betalen, maar Max heeft besloten dat dit een mooi moment is voor een driftbui.
‘Ik! Ga! Niet! Mee!’, roept hij. ‘Ik ga een sneeuwpop maken.’ ‘Max, kom op. Je moet…’ Hij wurmt zich tussen de bank en de tafel door en duikt aan Joris’ kant van de tafel weer op. ‘Ik ga…’ begint hij, maar Joris pakt hem bij zijn jas en Max kijkt verbaasd om.
‘Laat eens zien dan, die sneeuwpop’, zegt Joris. ‘Ik ben er nu wel benieuwd naar geworden. Toevallig kan ik heel goed sneeuwpoppen maken.’ Max lijkt even uit het veld geslagen, maar accepteert Joris dan meteen als bondgenoot. ‘Hij is hier’, kondigt hij aan, en gaat Joris voor naar de hoop sneeuw net buiten het terras waar een grote tak bij wijze van neus uitsteekt. Ik loop snel naar binnen en reken het eten af.
Als ik weer buiten kom, heeft de hoop sneeuw een beetje meer de vorm van een pop gekregen en staat Max te gloeien van trots. ‘Mam!’, roept hij enthousiast. ‘Joris zegt dat er vannacht sneeuw gaat vallen waarmee ik morgen een enorme pop kan maken. Een soort… een soort…’ Hij kijkt vragend naar Joris.
‘Megasneeuw’, vult die aan.
‘Ja, precies! Ik moet Roy en Lisa vertellen dat dat zo is.’ ‘Dat kan morgen, schat. Want dan zie je ze weer, en kunnen jullie op de piste een pop maken.’ ‘Oké’, gaat Max tot mijn verbazing meteen akkoord.
Daarna richt hij zijn aandacht op Joris. ‘Kom je dan ook helpen?’ Ik zie de vluchtige blik die Joris op mij werpt voor hij zegt: ‘Dat lijkt me erg leuk. Ik weet zeker dat het een prachtige pop wordt.’ We nemen afscheid. Joris steekt onhandig zijn hand uit, maar als ik die vastpak, voelt het te knullig voor woorden en dus leun ik naar hem toe voor drie zoenen. Maar we gokken verkeerd en onze neuzen botsen tegen elkaar.
Allebei krijgen we een kleur. Snel geef ik Joris drie zoenen en mompel nog wat over dat het gezellig was en tot morgen en dan pak ik Max’ hand en lopen we snel naar ons appartement. Ik probeer nergens aan te denken en dat gaat me nog best goed af. Zal ook de wijn wel zijn.
Die nacht word ik rond twee uur wakker en wat ik ook probeer, ik kan niet meer slapen. Ik sta op, zet thee en ga in de schommelstoel bij het raam zitten. Ik wil niet nadenken, maar anders dan vanavond kan ik mijn hoofd deze keer niet tot rust brengen. Ja, Joris is een aardige man, maar Joris is ook een volslagen onbekende en bovendien hartstikke getrouwd.
Waarom denk ik aan hem? Ben ik nu al zo wanhopig dat ik urenlang ga denken aan elke man die aardig tegen me doet? Waarom? Ik wíl niet eens een nieuwe liefde. Ik kan nooit meer zo veel van iemand houden als van Thijs en elke andere relatie die ik ooit zal aangaan, begint met een achterstand. Want die relatie zou er nooit zijn geweest als Thijs die ene avond een paar minuten later van huis was gegaan. En alleen al daarom gaat het nooit werken.
Ik herinner me het gesprek dat Thijs en ik hadden, niet lang nadat we getrouwd waren. Zou je wel of niet een nieuwe liefde willen als de ander doodging? We deden er lacherig over, tot Thijs serieus werd en zei: ‘Ik zou het onverteerbaar vinden als jij de rest van je leven alleen zou moeten blijven. Als ik ooit doodga, ga dan wel weer leven, Inge. Maar vergeet me alsjeblieft niet.’ Sinds zijn dood is deze opmerking al zoveel keer door mijn hoofd gegaan. Vannacht voelt het echter anders, voor het eerst denk ik écht aan de betekenis ervan.
Ik neem een slok van mijn thee. Mijn tanden slaan tegen het glas en ik realiseer me dat mijn hand trilt. Ik voel een traan over mijn gezicht glijden. Wat wil ik nou eigenlijk? Ik weet het niet. Ja, Thijs terug, maar verder… Joris verschijnt weer in mijn gedachten, maar ik knipper geïrriteerd met mijn ogen, alsof ik hem daarmee kan laten verdwijnen. Hij is getrouwd, zoals zoveel leuke mannen.
Thijs kon nog zo serieus roepen dat ik zeker een ander moest vinden, met de mogelijkheid dat op mijn leeftijd iedereen al lang en breed onder de pannen is hield hij mooi geen rekening.
Ik drink mijn thee op en kruip terug in bed, maar slapen lukt niet.
De volgende ochtend heb ik het gevoel alsof er een horde berggeiten over me heen is gedenderd. Uiteindelijk viel ik tegen de ochtend in slaap, maar Max besloot er een vroegertje van te maken en dus zitten we rond zeven uur al aan het ontbijt. Daarna wil Max per se naar buiten om de megasneeuw te bekijken. Gelukkig kan ik hem een tijdje overtuigen van het feit dat hij het vanaf het balkon ook heel prima kan zien, maar rond acht uur is er geen houden meer aan. Max stuift naar buiten, valt pardoes voorover in de sneeuw, maar terwijl ik me schrap zet voor een huilbui krabbelt hij op en rent tot mijn verbazing verder alsof er niets is gebeurd. Aangekomen bij de sneeuwpop van gisteren begint hij enthousiast verder te bouwen. Gelukkig is het terras aan de overkant open; ik bestel een kopje koffie, terwijl ik vanaf mijn plek mooi Max in de gaten kan houden.
We hebben rond tienen op de piste afgesproken, maar al om negen uur zitten Max en ik in de gondel. Nu is het nog niet zo heel erg druk en ik vind het leuk voor Max als we nog even kunnen sleetje rijden voor de grote horde eraan komt. Dan word je met je slee voortdurend aan de kant gejaagd door gehaaste skiërs die menen meer recht te hebben op de sneeuw dan een kind op een sleetje. Misschien is dat ook wel zo, ik ken de heersende regels op de piste eigenlijk niet. Het enige wat ik weet, is dat Max het geweldig vindt om met volle vaart door de sneeuw te schieten, met als gevolg dat ik me na een kwartier het leplazarus zweet onder mijn dikke jas.
‘Even pauze, hoor!’, roep ik, maar Max is onverbiddelijk.
‘Nog één keer!’, roept hij.
‘Moet ik het even overnemen?’, klinkt een stem naast me.
Ik kijk met een ruk op. ‘Joris!’ ‘Jep. En Isa. Dat wil zeggen…’ Hij sprint weg naar zijn dochtertje, dat koers zet richting de rode piste. Even later staat hij weer naast me. ‘Denk je dat Max zijn slee wil delen?’ ‘Als je belooft dat je heel hard gaat trekken.’ Ik kijk langs hem heen. ‘Ben je alleen?’ ‘Ja, Anne voelt zich nog steeds niet lekker. Hopelijk is ze morgen weer de oude. Hé, Max, schuif eens op!’ Hij zet Isa op de slee en pakt het touwtje van me over. ‘Houd je vast, jongens!’ Ik hoor Max gieren van de lach als Joris flink de pas erin zet. ‘Harder! Harder!’, roept hij ook nog. ‘Nog harder, Joris!’ Tien minuten later staat een hevig hijgende Joris weer naast me.
‘Nog een keer!’ roept Max.
‘Even wachten, vriend’, hijgt Joris. ‘Straks weer. Ga eerst maar eens een sneeuwpop bouwen in die megasneeuw.’ Max gaat enthousiast aan de slag, geholpen door Isa.
Joris kijkt me aan. ‘Ik eh…’ Hij richt zijn blik op de bergtoppen achter me en veegt met zijn hand langs zijn neus.
‘Ik vraag me af…’ ‘Wat?’ vraag ik.
‘Nou ja, gisteren.’ Hij vermijdt expres mijn blik. ‘Je was ineens weg. Ik dacht, misschien heb ik iets verkeerds gezegd.
Of gedaan. Je kon natuurlijk prima jezelf verdedigen tegenover die idioot en ik bemoeide me ermee en…’ ‘Hoe bedoel je?’, vraag ik. ‘Ik vond dat juist erg aardig van je. Het was alleen…’ Ik weet niet wat ik moet zeggen. Mijn warme huid prikt onder mijn sjaal. ‘Max was erg moe’, gebruik ik dezelfde smoes als gisteren.
‘O. Oké. Gelukkig dat het niet met mij te maken heeft.’ Nu kijkt Joris me wel aan. ‘Ik vond het erg gezellig met je gisteren. En ik zou het vervelend vinden als je er een slecht gevoel aan over had gehouden. Ik eh…’ Weer kijkt hij langs me heen. Hij lijkt wel… verlegen.
Ja hoor, doe normaal, zeg ik in gedachten streng tegen mezelf. Verlegen, natuurlijk! Een volwassen man wordt verlegen als hij met mij praat. Niet dus.
‘Nou ja, ik vond het gewoon erg leuk’, maakt Joris dan zijn zin af. ‘En ik vroeg me af of je met mij koffie zou willen drinken. Maar als je denkt: wat moet ik met die vent, dan begrijp ik het ook, hoor. Dan moet je gewoon nee zeggen.
Je zit er misschien helemaal niet op te wachten dat ik je leuk vind en… Zo bedoel ik het niet. Leuk. Als in: gezellig.
Niet leuk, leuk.’ Hij zucht. ‘Ik maak het alleen maar erger, geloof ik.’ Mijn oren suizen. Ik probeer op een rijtje te zetten wat Joris net heeft gezegd. ‘Dat ik je leuk vind.’ Hij is verdorie getrouwd! En nu zijn vrouw ziek is, staat hij hier te verkondigen dat hij me leuk vindt! Wat denkt hij: lekker makkelijk, zo’n moedertje alleen? Ineens ben ik pissig. ‘Ik zou me schamen als ik jou was’, zeg ik hevig geïrriteerd. ‘Wat vindt Anne hier wel niet van? Zij ligt in bed, en jij maakt even van de gelegenheid gebruik? Ik had jou echt hoger ingeschat. En nee, ik heb geen zin om koffie met je te drinken.’ Ik draai me om.
‘Kom mee, Max, we gaan!’ Max denkt daar heel anders over, maar ik grijp hem bij zijn arm en trek hem mee. Hij zet een keel op, maar ik geef geen krimp. Tot hij zich in de sneeuw laat vallen en ik wel los moet laten, omdat ik anders met tas en slee en al achter hem aan kukel.
‘Max!’, sis ik. ‘Doe normaal en sta op.’ Vanuit mijn ooghoek zie ik Joris op een drafje aankomen.
‘Inge!’, roept hij. ‘Wacht!’ Dat wil ik niet, maar ik kan Max moeilijk laten liggen.
Joris haalt me in. ‘Je begrijpt het niet’, zegt hij. ‘Laat het me uitleggen.’ Mijn ogen schieten vuur. ‘Ik begrijp het heel goed. Ik mag dan alleen zijn, dat betekent niet dat ik wanhopig ben. En nu laat je me met rust.’ ‘Anne is mijn vrouw niet’, zegt hij dan plompverloren.
‘Dat bedoel ik met: je begrijpt het niet. Ze is mijn zus.’ Ik staar hem met open mond aan, niet in staat te bewegen.
Ik kan niet eens met mijn ogen knipperen, zo verbijsterd ben ik. ‘H-hoe bedoel je?’, weet ik uiteindelijk uit te brengen.
‘Zoals ik het zeg. Ze is mijn zus. Ik wilde niet in mijn eentje met Isa op vakantie en dus bood ze aan om mee te gaan.’ Max heeft door dat ik niet meer met hem bezig ben en hij sneakt weg naar Isa en de sneeuwpop die ze aan het bouwen waren. Ik sta nu tegenover Joris en probeer te bevatten wat hij me vertelt.
‘Ik ben sinds anderhalf jaar weduwnaar’, zegt Joris. ‘Mijn vrouw, Isa’s moeder, is overleden aan borstkanker. Sinds haar dood ben ik niet meer op vakantie geweest, tot Anne voorstelde om met z’n drieën te gaan skiën. Janneke, mijn vrouw, was dol op skiën, maar na haar dood hoefde het van mij niet meer zo. Gelukkig heeft Anne me meegesleept, anders zou ik nooit meer ergens komen.’ ‘Ik ben weduwe’, zeg ik plompverloren. ‘Mijn man is verongelukt.’ Joris knikt. ‘Ik weet het. Max vertelde het me gisteren toen jij binnen was om de rekening te betalen. Hij zei dat papa ook heel goed sneeuwpoppen kon bouwen, maar dat hij nu dood is omdat hij met de auto wegging. Wat vreselijk voor jullie.’ ‘Niet minder dan de dood van jouw vrouw voor jullie, natuurlijk.’ Ik maak een hulpeloos gebaar. ‘Sorry voor mijn uitbarsting. Ik dacht…’ ‘Laat maar, het is al goed. Ik had dat ook niet moeten zeggen.
Maar ik…’ Hij slikt. ‘Nou ja, ik vond het gezellig gisteren met je. Dat wilde ik alleen even kwijt.’ Mijn hart pompt zo hard dat ik bang ben dat Joris het door mijn dikke jas heen kan horen. We staan onhandig tegenover elkaar, allebei willen we niet weglopen, want dan is het moment voorbij. Ik aarzel. Mijn gevoel zegt iets anders dan mijn verstand en ik kan niet kiezen welke van de twee ik moet volgen. In mijn hoofd klinkt Thijs’ stem.
‘Beloof me dat je…’ Die zin komt niet tot een einde. Joris leunt een beetje naar voren en dan neemt mijn gevoel het over. Honderd procent.
Ik hef mijn gezicht naar hem en dan voel ik zijn lippen op die van mij en weet ik niet eens meer wat mijn verstand ooit heeft gezegd. Het doet er ook niet toe. Ik sla mijn armen om zijn dikke ski-jack heen. Ik weet niet wat dit allemaal betekent, of waar het naartoe gaat, of hoe het afloopt, en het maakt ook allemaal niet uit. Dit voelt goed en dat is het enige wat telt.
Als Joris me loslaat na wat net zo goed een jaar had kunnen zijn, maar waarschijnlijk in werkelijkheid een paar minuten is, kijk ik opzij. Max en Isa staan met open mond te kijken. Ik grijns onhandig naar zowel Joris als de kinderen en wil iets zeggen, maar Max is me voor.
‘Mam,’ zegt hij met zijn handen in z’n zij, ‘kom je nou nog helpen met die sneeuwpop of hoe zit dat?’





Ik vond het een heerlijk zwijmel verhaal!